Interview, Peter Ralston

 

Peter RalstonPeter Ralston begon zijn studie van de krijgskunsten op negenjarige leeftijd in Singapore. Met negentien jaar was hij uiterst bedreven in onder meer Judo, Jiujitsu, Karate, Sumo, Kempo, Kung Fu en schermen. Hij studeerde fysiologie/anatomie aan de universiteit van California in Berkeley en verbreedde zijn martiale kennis met Westers boksen, Muay Thai en Chinees en Japans zwaardvechten. Ook verdiepte hij zich meer en meer in de interne stijlen Tai Chi Chuan, Aikido, Hsing I en Pa Kua. Intensieve periodes van contemplatie resulteerden in verschillende directe gewaarwordingen van het wezen van zelf en realiteit. Deze ervaringen versterkten niet alleen zijn interesse in ontologie (ook wel zijnsleer genoemd) maar hadden ook een grote invloed op zijn vaardigheden in de krijgskunsten. In 1978 werd Peter Ralston als eerste niet-Aziaat wereldkampioen tijdens het World Championship Full-Contact Martial Arts Tournament in Taiwan, een toernooi open voor alle vechtstijlen.

‘Toen ik 9 jaar was, ben ik met wat vrienden met judo begonnen, maar ik zag dat gewoon als een andere spelvorm. Pas met 16 ben ik me er serieus in gaan verdiepen. Ik wilde de beste vechter ter wereld worden. Deze houding was zeer belangrijk voor mijn succes.
Naarmate ik vooruitkwam in de krijgskunsten, isoleerde ik me meer en meer van de rest van de wereld. In mijn streven om goed te worden, had ik als uitgangspunt nooit iemand blindelings te geloven en nooit iemands structuur of overtuiging over te nemen.
Veel mensen die iets willen leren, studeren bij iemand die ze vertelt wat te doen. Dat is legitiem. Toch is het goed om open te staan voor het feit dat de leraar het misschien niet bij het juiste eind heeft. Vaak onderwijst een leraar wat hij heeft gehoord of geleerd, of wat hij gelooft. Hoe dan ook, ik wilde het mijn kunst maken. Dan moest ik zélf ook de bekwaamheid hebben. Ik zelf moest de kunst ontdekken en begrijpen. Het zou me niet verder helpen als ik iemand blindelings zou volgen.’

Een nieuwe richting

‘Om mijn studie van de krijgskunsten te verdiepen las ik de Tao te Ching en begon ik met zen. Langzaam maar zeker echter veranderde mijn interesse en gingen de krijgskunsten mijn studie van de ‘fundamentele natuur van mijn eigen leven’ verdiepen.

Op een dag was ik met een vriend aan het sparren, toen ik ontdekte wat er tot dan toe aan mijn studie had ontbroken. Tot dan toe had ik veel gevechten geleverd. Van de honderd slagen die er werden uitgewisseld tijdens een gevecht incasseerde ik er altijd op zijn minst enkele en daar hield ik niet van. Ik wilde perfect zijn en daar hoorde het incasseren van slagen niet bij. Deze keer merkte ik dat ik niet bang was om geraakt te worden, dat ik niet bezig was met winnen of verliezen, en ik werd geen enkele keer geraakt. Dit was de eerste keer dat ik letterlijk ongeslagen uit de strijd kwam – omdat het mij niet uitmaakte geraakt te worden. Mijn bewustzijn opende zich voor wat er echt gebeurde.

Ik had zwarte banden in verschillende kunsten. Ik had zwaard- en stokvechten en schermen beoefend aan de universiteit, en daarnaast wedstrijdjudo, aikido, westers boksen, muay thai en andere gevechtskunsten. Toen ik begin twintig was, begon ik me echt te isoleren. Het interesseerde me niet meer. Het interesseerde me ook niet of iemand wist wat ik wist. Ik realiseerde me toen echter niet dat dit later een communicatiekloof zou veroorzaken tussen mij en de buitenwereld. In die tijd leefde en studeerde ik in een hut. Vanaf mijn tienertijd had ik les gegeven, maar ook dat deed ik nu niet meer.
Terugkijkend naar deze tijd kan ik zeggen dat ik toen zeer gedisciplineerd leefde. Voor mijzelf was het mijn normale leven. Ik heb echter een ongelooflijke hoeveelheid tijd, concentratie en energie gestoken in mijn studie. Ik werkte er dag en nacht aan. Niet alleen fysiek, maar ook door contemplatie en schrijven. Het schrijven hielp me bij mijn studie. Ik schreef niet voor iemand in het bijzonder. Ik schreef op wat ik dagelijks leerde, over mijn inzichten en mijn besef.
Minimaal 5 uur per dag trainde ik mijn lichaam, en soms gaf ik daarna nog les. De overige tijd hing ik met mijn vrienden rond, oefende op het binnenplein, studeerde en praatte. Daarna schreef ik en dacht ik na. Het goede aan deze isolering was de discipline, de beschouwing en de concentratie op mijn werk. Toen ermee bezig was, zag ik niet dat het iets bijzonders was. Het was gewoon iets wat ik deed.

Doorbraak

Op een dag zat ik in mijn achtertuin en kwam er een man naar me toe. Hij was iemand tegengekomen die me kende en hij wilde dat ik hem krijgskunsten onderwees. Ik vertelde hem dat ik daarmee gestopt was, maar hij was erg vasthoudend. Daarom pakte ik de draad van het lesgeven weer op.
Later probeerde hij me ervan te overtuigen dat het goed voor me zou zijn om aan intensieve contemplatie te gaan doen. Ik was toen 21 jaar en had geen idee wat ik daarmee aan zou moeten. Ik realiseerde me echter dat een deel van de weerstand ertegen te maken had met lafheid.
Toen ik deze barrière eenmaal had overwonnen, ging ik met hem mee naar een vijfdaagse intensieve contemplatie in Santa Rosa. Op de eerste dag al tijdens de eerste oefening – ik werkte aan de vraag “Wie ben ik” - had ik al een verbazingwekkende ervaring. Het was nog niet de ervaring van de waarheid, maar wel een ervaring die vaak voorkomt tijdens intensieve meditatie. De kamer veranderde, werd licht, ik zag kleuren, en ik keek op een andere manier naar mijzelf. Op een of andere manier voelde ik me meer compleet. De ervaring was compleet nieuw voor mij. Op het einde van de vijf dagen voelde ik meer vreugde dan ik in mijn hele leven had gevoeld. Ik was echt gelukkig – ik had niet eerder opgemerkt dat ik dat gevoel tot dan toe niet had gehad.
Twee weken later ging ik naar een plaats in de bergen en begon aan mijn tweede intensieve contemplatie. Hier werkte ik aan de vraag “Wat ben ik?” Vol overtuiging en dynamisch werkte ik aan een directe ervaring van de natuur van mijn wezen. Ononderbroken werkte ik door – dat dacht ik in elk geval. Ik deed het zoals ik de meeste dingen deed in die tijd: met zoveel gedrevenheid, zoveel energie, zoveel ononderbroken aandacht. Als ik terugkijk weet ik niet of ik het zo weer zou kunnen aanpakken.
Maar even goed, ik ‘kreeg’ het niet, ik kreeg geen directe ervaring van mijn ware natuur. Ik had geen verlichtingservaring. Ik had er nooit aan getwijfeld dat ik die ervaring zou krijgen. Drie dagen van inspanning zonder resultaat.
Ik bleef er nog een extra nacht omdat ik moest wachten op de man met wie ik mee terug zou rijden. De volgende dag hing ik er nog wat rond. ’s Morgens las ik in een exemplaar van Jonathan Livingstone Seagull (een boek van Richard Bach, red.) dat er lag. Ik zat in de vliering bovenaan de ladder, en ik probeerde naar beneden te gaan zonder mijn lichaam te bewegen. Ik probeerde het Livingston Seagull-ding te doen. Ik probeerde het echt. Ik kon niet geloven dat het mij niet zou lukken.
Later in de middag zat ik in een kamer, er waren wat mensen met elkaar aan het praten. Ik zat wat te relaxen en voelde me goed. Ik deed eigenlijk niets, ook geen meditatie en daar was mijn verlichtingservaring. Het was een grote doorbraak, een ervaring die met niets te vergelijken was met wat ik eerder had meegemaakt. Ergens hoorde het niet bij het domein ‘ervaring’, en tegelijkertijd veranderde het mijn ervaring compleet. Het veranderde mijn hele leven en de realiteitsstructuur. Het was fantastisch.
Opeens was ik er mij van bewust dat ik Niets was. Absoluut niets. Ik ervoer direct mijn ware natuur, niet als iets tastbaars met gedaante of vorm. De mogelijk dat ik Niets was, was nieuw voor mij. Gedurende de hele meditatie van drie dagen was ik alles geweest, elke voorstelling, elke beweging, elk gevoel, elke inspanning. Het was nooit bij me opgekomen dat ik niet iets was. Gedurende de Verlichting was ik slechts ... geen ding, niet ergens, geen substantie. Geen enkel intellectueel begrip van Verlichting kan ooit in de buurt komen van een directe verlichtingservaring. Hoewel ik er later nog enkele zou hebben, was deze eerste waarschijnlijk de belangrijkste verlichtingservaring die ik heb gehad.
Een week later, thuis, had ik een verlichtingservaring van een andere natuur. Ik werd me ervan bewust dat anderen precies hetzelfde zijn als ik. Ik ben niets en neem geen ruimte in, geen plaats. Met dat als uitgangspunt werd ik me ervan bewust dat we niet van anderen gescheiden zijn – we zijn dezelfde.

Nieuwe bekwaamheden

Het was na deze verlichtingservaringen dat ik het vermogen ontwikkelde iemands gezindheid te ‘lezen’. Ik kon zien wat mensen gingen doen voordat ze het daadwerkelijk deden. Hierdoor had ik, wanneer iemand mij wilde aanvallen, de situatie in bedwang voordat hij kon toeslaan.
Soms vroegen leerlingen tijdens de les wat ik zou doen als iemand mij zou slaan. Ik zei dan: “Sla mij.” En op het moment dat ze eraan dachten mij te slaan en deze gedachte overbrachten naar hun lichaam, hield ik ze tegen. Afgehandeld. Ik veronderstel dat je zou kunnen zeggen dat ik hun geest kon lezen. Ik zag de bron van de actie. Ik kon de kern zien van de drijfveer van hun gedachten en acties, doordat ik wist wat ik ben en wat zij zijn. Niet visueel, maar het raakte mij voordat hun lichaam bewoog. Omdat het voor hen een proces was waarin ze hun intentie moeten manifesteren - omzetten in actie - kon ik reageren voordat ze met hun actie begonnen.
Ik had toen nog niet opgemerkt dat deze bekwaamheid iets was dat ik kon ontwikkelen, of dat het iets was dat iemand niet had, maar kon ontwikkelen. In die tijd stond Cheng Hsin nog ergens aan de horizon. Ik had pas een begin gemaakt te verduidelijken wat later als de principes van Body-being bekend werd.

Meer meditatie

Later ging ik naar een intensieve 14-daagse meditatie geleid door Charles Berner. Er waren veel interessante mensen waaronder een aantal oudgedienden. Soms was het ongelooflijk zwaar, maar het was zeer krachtig. Op de veertiende dag had ik nog geen ervaring gehad. Ik werkte aan: “Wat is leven?”of meer accuraat: “Wat is Bestaan?” Tijdens de laatste oefening van de laatste dag had ik een verlichtingservaring. De eerste ervaring was de belangrijkste, maar deze was de diepste.
Het was de laatste oefening en ik dacht dat als ik het in veertien dagen niet had ervaren, dat deze oefening geen verschil zou maken. Daarom had ik er plezier in. Om de een of andere reden besloot ik een stuk te stijgen vanuit de top van mijn hoofd. Het voelde alsof ik daar mijn ‘diad partner’, Neil, zou ontmoeten. En toen, heel verrassend, had ik een ervaring met wat zenmensen de Leegte noemen. Van het Absolute Bestaan. Er was geen afstand, geen tijd, geen ruimte...niets.

Ik veronderstel dat mijn uiterlijk dramatisch veranderde door de ervaring, want na de oefening riep Neil zeer geagiteerd uit dat ik in de spiegel moest kijken; mijn gezichtsuitdrukking was totaal veranderd. Ik had al in geen veertien dagen in de spiegel gekeken. Thuis voor de spiegel wist ik niet wat ik zag. Ik zag een lichaam dat ik gekend had maar ik was het niet. Niet dat mijn uiterlijk veranderd was. Het was de gelijkenis die me een schok bezorgde. In zekere zin was ik vergeten dat ik een lichaam had. Het was alsof mijn lichaam mijn geschiedenis liet zien, mijn karakter, mijn ideeën, mijn persoonlijkheid, al die dingen die ik dacht te zijn. Al de dingen die ik geweest was. Zonder het toen te kunnen verwoorden, denk ik dat ik verwachtte dat mijn spiegelbeeld niet zou verschijnen. Ik had de absolute natuur van het bestaan ervaren. Terug in het ‘echte’ leven kreeg ik een terugslag. Ik merkte op dat iedereen loog. Dat alles wat gezegd en gedaan werd een leugen was. Toen bemerkte ik dat alles wat ik zelf zei een leugen was. Dat ik niet in staat was de waarheid te spreken. Ik werd er gek van en twee weken lang isoleerde ik me van mijn omgeving. Ik wist niet wat ik met de ervaring aan moest. Ik realiseerde me dat het belangrijk was om een verlichtingservaring in een bepaalde context te zien. Dit was een van mijn motivaties om Cheng Hsin te ontwikkelen.

Meer nieuwe bekwaamheden
Meer nieuwe bekwaamheden begonnen zich aan te dienen. Eerst wist ik waar iemand zou aanvallen voordat hij bewoog. Er was toen een begin van een - psychische - beweging. Nu hoefde ik helemaal geen beweging van de kant van de aanvaller te zien, psychisch noch anderzijds, om te weten wat ik moest doen. Ik wist het gewoon.

Het wereldtoernooi

Hierna was het wereldkampioenschap gemakkelijk. Waarom ik eraan meedeed... Allereerst had ik op een bepaalde manier de krijgskunsten achter me gelaten en ik had nooit erkenning gehad voor wat ik had bereikt. Ik wist dat ik goed was. Dit wereldtoernooi was het tweede en waarschijnlijk het laatste. Het eerste werd in 1928 gehouden op het Chinese vasteland in Nanking. Het was erg gevaarlijk; veel mensen werden gedood of raakten gewond. De officials staakten het toernooi bij de laatste 13 deelnemers, omdat ze bevreesd waren voor nog meer doden.
Sindsdien zijn er andere toernooien geweest. Een tijdlang was er een jaarlijkse traditie, het Aziatisch krijgskunstentoernooi genaamd, hoewel ik geloof dat iedereen eraan kon deelnemen. Uiteindelijk kreeg het de naam Wereldtoernooi en nodigden alle landen uit eraan deel te nemen. Toen ik er was in 1978, waren er Japanners, Thailanders, Fransen, Saudi Arabiërs, Australiërs, anderen van de Verenigde Staten en vele andere landen, maar de meesten waren Chinezen. Gewoonlijk won er ook een Chinees. Ik was de eerste niet-Aziaat met de overwinning.
In de eerste plaats deed ik eraan mee omdat ik iets af moest maken. Ik zou niet langer betrokken zijn bij het wedstrijdaspect van krijgskunsten en ik wilde erkenning. In de tweede plaats deed ik mee omdat ik radicaal verschilde van de anderen in de krijgswereld.
Ik vraag mensen ongewone dingen te doen, om ogenschijnlijk ongerelateerde onderzoeken te ondernemen en ik vraag een diep niveau van begrip. Ik wil dat mensen naar me luisteren, dat ze open staan voor wat ik zeg. Door dit toernooi te winnen kon ik zeggen: “Ik heb het gewonnen. Wat ik onderwijs is functioneel. Het werkt.” De mensen die het voorheen flauwekul vonden, luisteren nu.

Een eenvoudige boodschap

Op een avond omstreeks 1973 stond ik in de achtertuin onder de dennenbomen. Ik was naar buiten gelopen en had meteen het ongemakkelijke gevoel dat er iemand rondliep. Het was erg donker en ik had een voorgevoel alsof ik met iemand zou moeten vechten, met een inbreker of zo. Ik opende me helemaal voor die mogelijkheid en opeens werd alles veilig. Dat is de enige manier waarop ik me kan uitdrukken. De zin die ik toen hardop zei was: “Er bestaat niet zoiets als een gevecht. Er heeft nooit zoiets bestaan en er zal nooit zoiets bestaan.
Zonder ontologische studie is dit zeer moeilijk te begrijpen. Hiermee bedoel ik de beschouwing van en meditatie over de natuur van het zijn.
Ik begreep dat ik eerst anderen duidelijk moest maken dat vechten een relatie is. Mensen willen dat maar niet begrijpen. Zorg er eenvoudigweg voor dat je altijd een passende en actieve relatie met je opponent hebt. Ik heb krijgskunstenaars als leerling gehad – kung fu-mensen, boksers, karateka’s, innerlijke krijgskunstenaars en anderen – en die zeiden dat ik goed was. Maar het is niet ‘goed’, het is eenvoudigweg simpel. En ze begrijpen het niet.

Vertaling, Wim Heijnen
Uit: Een interview met Peter Ralston in 1978
Link: http://www.chenghsin.com/chenghsin-main.html

Zie ook: Het principe van niet-actie.